Grondwettelijk Hof vernietigt lijst met verenigingen die kunnen optreden als groepsvertegenwoordiger bij rechtsvorderingen tot collectief herstel

Op verzoek van twee financiële experten heeft het Grondwettelijk Hof artikel XVII.39 van het Wetboek van Economisch Recht (WER) gedeeltelijk vernietigd. Dat artikel somt de verenigingen en de openbare dienst op die kunnen optreden als groepsvertegenwoordiger bij rechtsvorderingen tot collectief herstel.

Groepsvertegenwoordiger bij rechtsvorderingen tot collectief herstel

Artikel XVII.39 van het WER, dat werd ingevoegd door artikel 3 van de wet van 28 maart 2014, zegt dat volgende verenigingen en volgende openbare dienst kunnen optreden als groepsvertegenwoordiger:

1° een vereniging ter verdediging van de consumentenbelangen die rechtspersoonlijkheid bezit en voor zover zij in de Raad voor het Verbruik vertegenwoordigd is of door de minister, volgens criteria vast te stellen bij een KB vastgesteld na overleg in de Ministerraad, erkend is;

2° een vereniging met rechtspersoonlijkheid die door de minister erkend is, waarvan het maatschappelijk doel in rechtstreeks verband staat met de collectieve schade die door de groep is geleden en die niet op een duurzame wijze een economisch doel nastreeft. Deze vereniging bezit, op de dag waarop zij de rechtsvordering tot collectief herstel instelt, sedert ten minste 3 jaar rechtspersoonlijkheid. Door de voorlegging van haar activiteitenverslagen of van enig ander stuk, bewijst zij dat er een werkelijke bedrijvigheid is die overeenstemt met haar maatschappelijk doel en dat die bedrijvigheid betrekking heeft op het collectief belang dat zij beoogt te beschermen;

3° de autonome openbare dienst als bedoeld in artikel XVI.5 van het WER (n.v.d.r.: de Consumentenombudsdienst), enkel met het oog op het vertegenwoordigen van de groep in de fase van de onderhandeling van een akkoord tot collectief herstel overeenkomstig de artikelen XVII.45 tot XVII.51 van het WER.

Vaststellingen Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof stelt vast dat het in het bestreden artikel XVII.39, tweede lid, 1° van het WER vervatte vereiste, dat een vereniging ter verdediging van de consumentenbelangen rechtspersoonlijkheid bezit en ?in de Raad voor het Verbruik vertegenwoordigd is of door de minister, volgens criteria vast te stellen bij een KB vastgesteld na overleg in de Ministerraad, erkend is?, afbreuk doet aan artikel 16, lid 2, punt b) van de dienstenrichtlijn.

Dat artikel bepaalt dat de lidstaten geen beperkingen aan het vrij verrichten van diensten stellen door ten aanzien van een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter ?een verplichting voor de dienstverrichter bij hun bevoegde instanties een vergunning te verkrijgen of zich in te schrijven in een register of bij een beroepsorde of -vereniging op hun grondgebied? te eisen.

Hetzelfde geldt voor een in het bestreden artikel XVII.39, tweede lid, 2° van het WER, vereiste dat het gaat om ?een vereniging met rechtspersoonlijkheid is die door de minister erkend is, waarvan het maatschappelijk doel in rechtstreeks verband staat met de collectieve schade die door de groep is geleden en die niet op een duurzame wijze een economisch doel nastreeft?.

Artikel 4 van de 'Aanbeveling 2013/396/EU van de Europese Commissie van 11 juni 2013' stelt de voorwaarden vast waaraan vertegenwoordigende instanties moeten voldoen om een representatieve vordering te mogen instellen.

Gedeeltelijke vernietiging

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat door er niet in te voorzien dat vertegenwoordigende instanties uit andere lidstaten van de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte die beantwoorden aan de vereisten van artikel 4 van Aanbeveling 2013/396/EU kunnen optreden als groepsvertegenwoordiger, artikel XVII.39 van het WER (ingevoegd bij art. 3, wet van 28 maart 2014), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16 van de Dienstenrichtlijn, schendt.

Het Hof vernietigt artikel XVII.39 van het WER, ingevoegd bij de wet van 28 maart 2014, dus in zoverre het er niet in voorziet dat vertegenwoordigende instanties uit andere lidstaten van de EU en de EER, die beantwoorden aan de vereisten van artikel 4 van Aanbeveling 2013/396/EU, kunnen optreden als groepsvertegenwoordiger.

Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging voor het overige.

Bron: Uittreksel uit arrest nr. 41/2016 van 17 maart 2016, BS 2 juni 2016.

Bron: GwH, arrest nr. 41/2016, 17 maart 2016.

Nieuws

Vlaamse sociale bescherming overkoepelt drie zorguitkeringen
Vlaanderen bundelt drie zorgtegemoetkomingen onder de noemer Vlaamse sociale bescherming. Het gaat om de Vlaamse zorgverzekering, de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden en het ...  Lees meer
Fonds voor arbeidsongevallen wordt 'Federaal agentschap voor beroepsrisico's'
Er komt een fusie van het Fonds voor arbeidsongevallen (FAO) en het Fonds voor de beroepsziekten (FBZ). Het FBZ verdwijnt en wordt ge´ntegreerd in het FAO dat behouden blijft. Enkel de benaming ...  Lees meer
Klachtensysteem en administratieve geldboetes bij inbreuken op passagiersrechten zee- en binnenvaart
Sinds 18 december 2012 hebben passagiers die over de zee of de binnenwateren reizen, recht op informatie, bijstand en vergoedingen bij annulering of vertragingen. Een gevolg van Europese Verordening ...  Lees meer
search news